fbpx
Schenkingen met uitsluitingsclausule kunnen na echtscheiding worden verhaald op gemeenschap van goederen

Schenking met uitsluitingsclausule na scheiding teruggevorderd

Een echtpaar is in 1985 getrouwd in wettelijke gemeenschap van goederen. Veertig jaar later gaan ze scheiden. Daarbij bepaalde de rechtbank dat de vrouw recht heeft op vergoeding van enkele schenkingen die zij – bij uitsluiting van de man – van haar moeder had gekregen. Het gaat om ruim € 70.000. De man is het daar niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De man betoogt dat er onvoldoende bewijs is dat de schenkingen daadwerkelijk zijn ontvangen en zijn gestort op de gezamenlijke rekening. Maar daar gaat het hof niet in mee. De vrouw laat van alle schenkingen schenkingsovereenkomsten zien, steeds met een uitsluitingsclausule. In een brief van de accountant van de moeder staat dat de schenkingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dat blijkt ook uit bankafschriften van de moeder: de geschonken bedragen en data komen overeen met de schenkingsovereenkomsten. Bankafschriften van de zus van de vrouw, die dezelfde schenkingen kreeg op dezelfde data, tonen dit ook aan. Dat de man ervan uitging dat de schenkingen bedoeld waren voor het gezin, doet niet ter zake. Uit de schenkingsovereenkomsten blijkt duidelijk dat deze alleen voor de vrouw waren bedoeld.

Draagplicht

Volgens de man moest de vrouw de schenkingen aan de gemeenschap ter beschikking te stellen, voor de kosten van de huishouding. In het Burgerlijk Wetboek staat inderdaad een bepaling die de onderlinge draagplicht regelt voor voldoening van de kosten van de huishouding. Deze kosten komen eerst ten laste van het gemeenschappelijke inkomen van de echtgenoten en, als dit ontoereikend is, ten laste van hun privé-inkomens in evenredigheid daarvan. Zijn de inkomens ontoereikend, dan komen deze kosten ten laste van het gemeenschappelijke vermogen en, pas als ook dit ontoereikend is, ten laste van de privévermogens naar evenredigheid daarvan.

Geen gegevens

De man heeft niet aangetoond dat er ten tijde van het huwelijk een tekort was aan gezamenlijke inkomsten om de kosten van de huishouding te voldoen. Hij gaf niet aan wat zijn inkomen was en dat van zijn ex, wat de kosten van de huishouding waren en wat daaraan door elk van hen is bijgedragen. Als die gegevens er niet zijn, kan het hof niet vaststellen dat de vrouw gehouden was uit haar privévermogen bij te dragen aan de kosten van de huishouding en in welke mate dat het geval zou zijn geweest.

Redelijkheid en billijkheid

Tot slot stelt de man dat het onredelijk is dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft. De vrouw zou tijdens het huwelijk nooit de intentie hebben gehad de aan haar geschonken bedragen terug te vorderen van de gemeenschap. Maar de man toont niet aan dat partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben afgesproken dat de vrouw geen aanspraak zou maken op haar vergoedingsrecht. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich er niet tegen dat de vrouw pas in het kader van de financiële afwikkeling van het huwelijk voor het eerst aanspraak maakt op haar vergoedingsrecht.

Uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden  | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4396 | 06-07-2026

Wilt u meer informatie over personen- en familierecht of heeft u een vraag over het onderwerp van dit artikel, neemt u dan contact op met Francesco van der Linden. Ook kunt u ons contactformulier invullen, dan nemen wij zo spoedig mogelijk contact met u op.

Ook interessant